Het Drentse Landschap
Ratelaar

Roofbouw is een natuurlijk fenomeen

"In enorme hoeveelheden vindt men er soms, vooral in den zomer, de alombekende ratelaars, Rhinanthus major en minor 'die, waar zij de overhand verkrijgen' de toch reeds niet zeer fleurige weiden in bedenkelijke mate doen verarmen. Kon men er toe besluiten gedurende een paar jaar achtereenvolgens het gras te maaien terwijl het bloeit, dan zou men deze lastige parasieten voor een goed deel althans kunnen uitroeien."

(Hoek, J.& H.C.Redeke, Flora van Helder, 1901)

Dit citaat, ontleend aan de Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland (deel 2, 2002), geeft treffend weer dat boeren op sommige - wellicht vele - plaatsen in ons land gloeiend de pest hadden aan ratelaars, waar die in de zomer graslanden geel kleurden.

Dezelfde atlas haalt ook de beroemde Jac.P.Thijsse aan die in 1927 in het Verkade-album over Texel schreef: "Groote plekken zien heelemaal geel van de Ratelaars, die mooie leeuwenbekachtige planten, die niet in de pas staan bij den veehouder, want ze zuigen het voedsel uit de wortels van het gras; 't zijn zoogenaamde halfparasieten'. Geen wonder, dat het gras kwijnt, waar de Ratelaars tieren. Intusschen helpen zij dapper mee, om bonte weiden te vormen".

Halfparasieten

Zoals wiettelers stiekem stroom aftappen van het net, zo zijn er ook plantensoorten die bij de buren aanpikken om in hun behoeften te voorzien. Hengel, ratelaars, ogentroost- en kartelbladsoorten vertonen dit in onze ogen crimineel gedrag. Het zijn gewone groene planten die zelf met hun bladgroen hun bouwstoffen vormen, maar die voor het aandeel van water en mineralen daarbij afhankelijk zijn van wortels van andere planten. Ze zijn dus niet volledig parasitair, vandaar dat ze halfparasieten worden genoemd.

Zodra ze kiemen, zoeken hun worteltjes contact met wortels in de omgeving. Bij een succesvolle vondst dringt het worteltje in die van een ongevraagde 'gastheer' om daaraan water en mineralen te onttrekken. Een halfparasitaire plant is daarbij niet kieskeurig; er kan zelfs ingedrongen worden in wortels van soortgenoten die wellicht een rijke bron hebben gevonden. Meestal zijn het echter grassen, omdat die er het meest staan.

De 'gastheer' kan zozeer lijden door het aftappen dat hij in groei en bloei achter blijft en wegkwijnt. De halfparasiet houdt zo zijn omgeving kort en kan zichzelf goed ontwikkelen. Vandaar dat de Helderse boeren in 1901 de 'lastige parasieten' wilden uitroeien.

Eenjarigen

Als maatregel om ratelaars te bestrijden werd geadviseerd een paar jaar tijdens de bloei te maaien. Zo kon er geen zaad worden gevormd. En aangezien zaad van ratelaars zelden langer dan één jaar kiemkrachtig blijft, zou het probleem voor de boeren vrij simpel kunnen worden opgelost.

Ratelaars zijn eenjarig: aan het eind van het seizoen sterft de plant volledig af. In de winter zijn er alleen de zaden in de bodem, die in het voorjaar nieuwe planten moeten leveren. Zaden die op een plek met geschikte gastheren kiemen, hebben meer kans om tot wasdom te komen dan op plekken waar de ratelaars zelf het voorgaande jaar de vitaliteit hebben verminderd. Vaak zie je dan ook dat de rijke groeiplaatsen van ratelaars zich in de loop der jaren door een perceel verplaatsen.