Over de toekomst van de Jeneverbes werd medio 2004 alarm geslagen door het rapport 'Jeneverbes in de verdrukking' van het Wageningse onderzoeksinstituut Alterra. De struik zou uit Nederland verdwijnen als er niet gedegen wordt ingegrepen. Het Jeneverbesgilde Drenthe is in 2005 opgericht om door onderzoek meer te weten te komen over deze karakteristieke struik van de Drentse heide. Ook probeert het gilde bij het publiek meer aandacht te krijgen voor de Jeneverbes.

De Jeneverbes Juniperus communis voelde zich uitstekend thuis in het kale zandige landschap van Drenthe, zo'n 12.000 jaar geleden, aan het eind van de laatste ijstijd. Drenthe raakte echter van lieverlede bedekt met bos en daarin gedijt de Jeneverbes niet. Maar ook door klimaatveranderingen en door de mens heeft de Jeneverbes perioden van bloei en neergang gekend. Sterke uitbreidingen vonden plaats in de bronstijd en na de Middeleeuwen toen er door intensief landgebruik op grote schaal zandverstuivingen ontstonden.
Een belangrijk moment in Drenthe was de opheffing van de schaapskuddes in de eerste decennia van de 20e eeuw. Langs de verstoven schapendriften en op de door overbeweiding van de heide ontstane zandverstuivingen slaagde de Jeneverbes erin zich massaal te vestigen. In De Palms bij Meppen, nu een reservaat van Het Drentse Landschap, werd die vestiging bevorderd door het intensief bereden tracé van karrensporen waarvan het kale zand de Jeneverbes een goed kiembed bood. Op het Drouwenerzand komen de meeste struiken voor op plekken waar eens het zand was blootgesteld aan weer en wind. Ook in het Hijkerveld staan de Jeneverbessen op de voormalige zandverstuiving. In het vervolg van de 20e eeuw is met de opkomst van de moderne landbouw de Jeneverbes achteruitgegaan. Daar de struwelen goede broedgelegenheid geven aan onder andere Goudvink, Kneu en Staartmees en zij een microklimaat scheppen waarin bepaalde varens, mossen en paddenstoelen zich welbevinden, wordt de teloorgang niet alleen om de struik zelf betreurd; een specifieke levensgemeenschap wordt bedreigd.
Mannetjes en vrouwtjes
De Jeneverbes kent mannelijke en vrouwelijke exemplaren; zulke tweehuizige soorten zie je niet veel in de plantenwereld. De struiken kunnen wel 100 tot 200 jaar oud worden en beginnen pas rond hun tiende jaar te bloeien. Sommige struiken bloeien pas op nog latere leeftijd. Jonge en sterk beschaduwde bestanden kennen een groot aandeel steriele planten. De voortplanting van de Jeneverbes verloopt traag. Vrouwelijke bloemen worden pas een jaar na de bestuiving bevrucht. Dan ontwikkelt zich een groene bes die er twee jaar over doet om in een blauwzwarte bes te veranderen. De rijpe bessen vallen op de grond of worden door vogels verspreid. Voordat de zaden, drie per bes, kunnen kiemen hebben ze eerst een warmte- en koudeperiode nodig. De warmteperiode zorgt voor afbraak van de harde zaadhuid en de koudeperiode stimuleert de kieming.
Vergrijzing
De meeste struwelen in Drenthe zijn tussen de 80 en 100 jaar oud, maar als ze vrij van overgroeiing blijven, kunnen ze wel meer dan 250 jaar oud worden! Een van de vraagstukken waar het gilde zich mee bezighoudt is de verjonging van de Jeneverbes. Na lang zoeken werden in De Palms en het Drouwenerzand heel jonge struikjes ontdekt. Het vreemde is echter dat tussen heel oud en heel jong de generaties ontbreken. Heeft dat te maken met luchtvervuiling waardoor de grond te zuur en te stikstofrijk wordt? Leven Jeneverbessen samen met schimmels die voor die veranderingen in de bodem extra gevoelig zijn? We weten het (nog) niet.
Belangrijke factoren die de kieming beperken kunnen ook zijn: een beperkt aanbod aan kiemkrachtige zaden, vergrassing en vermossing van stuifzand en daardoor concurrentie en gebrek aan open (stuif)zand. Om uitdroging van de kiemende zaden te voorkomen is het van belang dat de bessen worden bedekt met zand. In levende stuifzanden gebeurt dat op natuurlijke wijze door overstuiving. Na bedekking hebben kiemende zaden zeker een jaar nodig om zich te ontwikkelen. In het jongste stadium zijn de plantjes kwetsbaar voor begrazing door vee en Konijnen. Daarna veranderen de zachte naalden in scherpe stekels. Vraat van zaden door muizen en kevers, schaduw en concurrentie van bomen, brand en stormen plegen aanslagen op de struwelen en de verjonging.
Beheer
Verjonging van de struiken is ook mogelijk wanneer tot op de bodem uitgezakte takken deels met grond overdekt raken, daar wortels gaan vormen en zich opnieuw oprichten (afleggers). Vooral door ijzel of een zwaar sneeuwdek kan zich dit voordoen. Je vermoedt dan rampzalige gevolgen, maar de struiken blijken zich daarvan goed te kunnen herstellen en zich zo eigenlijk te vermeerderen. In veel gevallen is het aan de buitenkant van een omvangrijk bosje niet te zien of er sprake is van één struik of enkele struiken of dat het om tientallen door afleggers gevormde nieuwe struiken gaat. Het dichte struweel van De Palms is mede door deze afleggers vrijwel ontoegankelijk en vormt daardoor een aantrekkelijk gebied voor diverse dieren.
De Jeneverbes is zeer gevoelig voor brand. Na menige heidebrand, in het verleden vaak opzettelijk veroorzaakt om de heide te verjongen, zijn ter plaatse de Jeneverbessen voorgoed verdwenen. Het plaggen van vergraste bodems biedt een grotere kans op vestiging. Begrazing in combinatie met plaggen veroorzaakt bodemdynamiek en mogelijk lokale verstuiving waarvan de Jeneverbes kan profiteren.
Drentse namen
Op veel plaatsen in Drenthe noemt men de Jeneverbes palm, palmboom of palmbos. Maar er zijn nog veel meer Drentse namen, zoals damberen en waogholt.
Stichting Het Drentse Landschap beheert De Palms, een heideterrein vol Jeneverbessen dat al op de Franse kaart van 1811 werd aangeduid als Mepperpalmer Zand. Tot ver in de vorige eeuw was het in Meppen en omstreken het gebruik om een stevige 'palmtak' te snijden als groene draagstok voor de palmhaan en zijn versiering van slingers, noten, vruchten en eieren. Met Palmpasen gingen de kinderen in groepjes de huizen langs om hun 'haontie op een stokkie' te tonen en in ruil voor een liedje iets lekkers te ontvangen. De tak van de Jeneverbes, het broodhaantje, de noten en de eieren verwijzen alle naar de nieuwe lente en naar vruchtbaarheid. De Jeneverbes werd als altijd groene plant ook het eeuwige leven toegedicht. Geen wonder dat men juist op begraafplaatsen veel gebruik maakt van de troostende uitwerking van groenblijvers als de Jeneverbes en Taxus.
Bij bruiloften en dorpsfeesten versierden de bewoners van Meppen en dorpen in de wijde omgeving hun poorten, bogen en wagens met Jeneverbes. Dat betekende dat er jaarlijks karrenvrachten takken uit De Palms werden gehaald. Totdat de Jeneverbes wettelijk beschermd werd en de snoei verboden.
We zijn op zoek naar verhalen over de Jeneverbes. Wie heeft er vroeger mee gewerkt? Welke delen werden gebruikt en waarvoor? Wie weet Jeneverbessen te staan op wellicht vergeten plekken? Wie antwoorden weet of anderszins een bijdrage wil leveren aan een goede toekomst voor de Jeneverbes kan zich melden bij jan@veldwerknederland.nl. of bij Het Drentse Landschap. Meer informatie op www.jeneverbesgilde.nl.
* J.W.H. van Ginkel is lid van het Jeneverbesgilde en is werkzaam bij Stichting Veldwerk Nederland.
(Noot van de redactie: Over de Jeneverbes is eerder geschreven in dit kwartaalblad in nr. 16, december 1997)
Witte wieven
De Jeneverbes speelde een rol in het volksgeloof en zijn producten werden op verschillende manieren gebruikt. Archeologen vonden bij diverse opgravingen onder meer bessen en naalden maar ook een gesneden houten kraal uit de prehistorie.
In de jeneverbesstruiken en in grafheuvels woonden de witte wieven. Kampsheide is berucht om deze combinatie. Talrijk zijn de ontmoetingen tussen deze heksen en de handelaar, boer of knecht die zich 's nachts over de heide naar huis spoedde. Juist in maanverlichte nachten, als de nevel over de struiken zweefde, kwamen de toverkollen tevoorschijn om weer te verdwijnen bij zonsopkomst, als de mistflarden zich terugtrokken in het jeneverbesstruweel. Wie door de schrik bevangen hijgend zijn huis binnenviel, vertelde hoe hij ternauwernood ontsnapte aan de grijpgrage armen van de witte wieven. Want ja, een grote kerel liet zich toch geen angst aanjagen door een inbeelding!
Nu doen we die verhalen snel af als bijgeloof en onzin. Wie de moed heeft 's nachts door de struwelen te dwalen zal toch makkelijk bevangen worden door de mysterieuze sfeer van het jeneverbessenbos. De struiken hebben grillige vormen, lang en slank als een cypres, of breed en gedrongen, compact of uit elkaar gevallen, spookgestalten met wonderlijk gevormde armen en benen.
Jan van Ginkel, uit kwartaalblad nr. 48, december 2005
