Het Drentse Landschap
Ooievaar

Het vriendelijk klinkende snavelgeklepper waarmee Ooievaars elkaar begroeten was eeuwenlang een vertrouwd geluid op menig boerenerf. Het leven van Ooievaars en mensen was nauw met elkaar verweven. Nestelen deden de dieren het liefst in de nabijheid van de huizen, niet zelden op een speciaal voor dat doel geplaatst wagenwiel. Ze hielden de boer gezelschap bij het werk op het land, meewandelend met een maaibalk of ploeg loerend op wegvluchtend klein gedierte. In vrijwel alle uithoeken van Europa wordt de Ooievaar gezien als gelukbrenger, lentebode en vruchtbaarheidssymbool bij uitstek. Alle warme gevoelens ten spijt scheelde het echter niet veel of de Ooievaar was definitief verbannen naar de voortuintjes van prille gezinnetjes in stedelijke nieuwbouwwijken.

Politiebescherming

Bij een telling in 1934 vond men in Drenthe nog 58 bewoonde ooievaarsnesten. Hoogst waarschijnlijk was dat al aanmerkelijk minder dan enige decennia daarvoor. Een van de twee belangrijkste Drentse bolwerken was van oudsher het Hunzedal met 18 nesten in en rond het brede beekdal. Het tweede bolwerk was te vinden langs de benedenloop van de Reest samen met het veenweidegebied rond Ruinerwold. In dit gebied bevonden zich toen nog  17 bewoonde nesten. Hier is de ontwikkeling van de ooievaarsbevolking van 1932 tot 1961 nauwkeurig opgetekend door opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee K. van der Veen uit Meppel. Van der Veen combineerde zijn surveillancewerk met het doen van waarnemingen. In een periode dat de teruggang van de ooievaarsstand in geheel West-Europa in volle gang was. Tegen het eind van zijn loopbaan in 1960 meldt hij dan ook in een brief aan de directeur van het Staatsbosbeheer: 'Als ik naga dat er jaren zijn geweest waar hier 40 tot 50 jongen zijn grootgebracht, dan vrees ik dat de Ooievaar in ons land bezig is uit te sterven.' Dat jaar kwamen er in zijn werkgebied nog maar twee kuikens uit het ei.
Opper Van der Veen ringde regelmatig jonge dieren om erachter te komen waar ze in de winter heen trokken. Terugmeldingen van waarnemingen ontving hij onder meer uit Bulgarije en Turkije. Deze dieren maakten kennelijk gebruik van de oostelijke trekroute, zoals die ook door alle Oost-Europese Ooievaars wordt gevolgd. Die trekroute loopt over de Bosporus bij Istanbul naar oostelijk en zuidelijk Afrika. Meldingen uit Frankrijk toonden aan dat een ander deel van 'zijn' Ooievaars gebruik maakte van de westelijke route. Deze route gaat naar West-Afrika, waarbij de Middellandse Zee overgestoken wordt op het smalste punt bij Gibraltar.  

Verval

Een van de belangrijkste oorzaken voor de dramatische terugloop van de stand was het verdwijnen van zijn belangrijkste voedselbronnen door een veranderend agrarisch grondgebruik. In streken waar de landbouwkundige ontwikkeling stagneerde, zoals in veel delen van Oost-Europa, is de Ooievaar nooit zeldzaam geworden. Het ideale broedgebied bestaat uit een open landschap met veel afwisseling in grondgebruik en begroeiing.