De eerste konijnen bereikten de lage landen door toedoen van de Romeinen, die ze, ter verrijking van het menu, meenamen uit Spanje. Ze werden gehouden in omheinde konijnentuinen, vanwaar ze al gauw ontsnapten en begonnen aan een onstuitbare kolonisatie van het Nederlandse landschap. In Drenthe voelen ze zich vooral goed thuis in structuurrijke bossen en op droge heidevelden.
Ondergronds
Konijnen wonen bij voorkeur onder de grond. Hun woonruimte bestaat uit een royale living, ook wel ketel genoemd, met meerdere gangen naar buiten toe. De gangen zijn voorzien van een bocht, om ongewenste inkijk en tochten tegen te gaan. Als de familie uitbreidt wordt de huiskamer vergroot of worden er extra kamers uitgegraven. Een kraamkamer ontbreekt meestal in het familiehuis. Als de geboorte van de jongen zich aandient verlaat de aanstaande moeder het hol om, soms wel honderden meters verderop, een speciaal kraamhol aan te leggen. Gedreven door de onrust van de aanstaande bevalling is ze in staat om in één nacht een kraamkamer uit te graven, die te bekleden met droog gras en haar eigen buikhaar, en daar vervolgens vier tot tien jongen in te werpen. Konijntjes zijn bij de geboorte kaal, blind en volkomen hulpeloos. De eerste drie weken na de bevalling blijft het moederdier in de buurt van haar kroost. Als ze weggaat wordt de ingang naar de babykamer zorgvuldig afgesloten. In de vierde week verlaten de jonge konijnen de babykamer om hun intrek te nemen in het grote familiehuis. Moedermelk hebben ze dan al niet meer nodig.
Behoedzaam
Konijnen zijn altijd op hun hoede. Wanneer ze de veiligheid van het hol moeten verlaten, wordt eerst de omgeving uitgebreid bespied en beluisterd. Ook tijdens het eten gaan ze regelmatig even rechtop zitten om met de ogen en de beweeglijke oren de omgeving af te tasten op gevaar. Met de zijwaarts gerichte ogen kan in één oogopslag een groot gebied worden overzien. Bij gevaar, bijvoorbeeld een Buizerd of Vos, wordt er een ferme roffel met de achterpoten gegeven om de familie te waarschuwen en in no-time duiken ze het hol weer in. Konijnen blijven daar dan ook altijd in de buurt. Toch zijn ze ook onder de grond niet altijd veilig. Veel kleine roofdieren, zoals Bunzing, Hermelijn en zelfs een ukkepuk als de Wezel zijn in staat de huiselijke rust bruut te verstoren. Bij een dergelijk gevaar rest er voor het konijn maar één oplossing; vluchten via de nooduitgang. Gelukkig zijn de meeste konijnenvilla's ruim voorzien van in- en uitgangen.
Onder de grond vindt langoor zijn weg met behulp van de lange gevoelige snorharen. Ook de neus speelt dan een belangrijke rol, voornamelijk voor het tijdig signaleren van ongewenste gasten.
Groepsgebeuren

konijnen Jaap de Vries
Konijnen zijn nogal familieziek. Een groep konijnen bestaat vaak uit een ouderpaar met een hele trits kinderen en kleinkinderen. Onderling communiceren ze met hun signaalstaart, alarmroffel en allerlei geurmarkeringen.
Het leefgebied wordt gemarkeerd met keutelplaatsen, urine en door het stempelen van geurmerken met een klier onder de kin. Ook de vele oppervlakkig uitgekrabde kuiltjes fungeren als territoriummarkering. Het gezellige ogende groepsgebeuren is vaak strak hiërarchisch georganiseerd. De dominantste dieren, dat kunnen zowel mannetjes als vrouwtjes zijn, eigenen zich de beste plekken toe. Daarbij kunnen ze zich bijzonder nukkig opstellen naar hun clangenoten.
Konijnenvaders kunnen op zijn zachtst gezegd nogal onverdraagzaam zijn naar pasgeboren jongen. Ze zijn zelfs in staat nestjongen dood te bijten. Dat de kraamkamer buiten het familiehuis ligt is dus geen overbodige maatregel. Door de jongen dood te bijten en het vrouwtje vervolgens opnieuw te dekken, verzekert het mannetje zich ervan dat het inderdaad zijn kroost en niet dat van de buurman is, waar moeder haar kostbare energie insteekt.
Een konijnenvrouwtje kan per jaar wel vijf nesten met in totaal zo'n 20 tot 30 jongen op de wereld zetten. Al na vier maanden is een jong konijn zelf in staat jongen te krijgen. Maar ze zijn ook in staat om enige mate van geboorteregulatie toe te passen. Bij voedselschaarste wordt soms een deel de embryo's door het moederlichaam geresorbeerd.
In 1952 werden er op een Frans landgoed opzettelijk konijnen besmet met de virusziekte myxomatose. Deze ziekte werd geïmporteerd uit Zuid-Amerika, waar het als een vrij onschuldige ziekte bestond bij Katoenstaartkonijnen. Voor veel Europese konijnen was de ziekte dodelijk. Binnen een jaar na de import in Frankrijk dook de ziekte in Nederland op. Op veel plekken werd de konijnenstand gedecimeerd. Toch bleken enkele dieren na verloop van tijd immuun te zijn voor de ziekte. Langzaam maar zeker herstelde de konijnenstand zich weer. Tegenwoordig duikt de ziekte nog regelmatig op, maar lang niet elk konijn sterft er nog aan.
Tuinieren
Veel andere dieren profiteren van de aanwezigheid van konijnen in een gebied. Verlaten konijnenholen zijn als woning erg in trek bij Bergeenden en Tapuiten. Ook Holenduiven en Kauwen leggen hun eieren graag in konijnenholen. De zandige plekjes die door graaf- en graasactiviteiten op heideterreinen ontstaan, zijn aantrekkelijk voor allerlei insecten, zoals diverse soorten graafwespen.
De keutels zijn erg in trek bij mestkevers. Konijnen produceren overdag andere keutels dan 's nachts. Mestkevers ontfermen zich alleen over de nachtkeutels. De anderen eet het konijn liever zelf op. Deze eetbare exemplaren produceert het konijn overdag in zijn hol. Na een nachtje grazen passeert het voedsel het darmkanaal voor de eerste keer. Omdat plantaardige kost moeilijk te verteren is, bevatten de eerste keutels nog veel onverteerde delen. Bovendien zijn ze rijk aan vitamine B dat er door de darmbacteriën aan toegevoegd is. Door deze voorverteerde dropjes nogmaals het darmkanaal te laten passeren worden waardevolle voedingsstoffen alsnog benut, een vorm van herkauwen dus.
Waar konijnen regelmatig grazen ontstaat een grasmat van golfbaankwaliteit. In zo'n korte grasmat vestigen zich lage plantensoorten, zoals klavertjes, die zich niet zo goed kunnen handhaven tussen hoge begroeiing. Toevallig zijn dat nu juist vaak die soorten waar de konijnen dol op zijn. Je zou ze er bijna van gaan verdenken dat ze hun eigen groente verbouwen.
Bertil Zoer, uit kwartaalblad nr.16, december 1997
