Het Drentse Landschap
Veen

Veen

Na de laatste ijstijd, de Weichsel ijstijd, werd het in Nederland weer warmer. Het landijs smolt en de bodem werd weer nat. Planten konden weer gaan groeien. Op de laagste plekken zoals langs de beekdalen begon veen te groeien. Je hebt twee soorten veen: laagveen en hoogveen.

Laagveen

Laagveen ontstaat in lage gebieden die heel nat zijn en waar het water slecht opgenomen wordt door de grond. Na een regenbui of overstroming komen sommige planten onder water te staan. Die sterven, maar verteren niet helemaal. Al die onverteerde planten vormen steeds een laagje. De onderste lagen worden samengedrukt door de bovenste lagen en zo ontstaat laagveen.

Hoogveen

Veenmos is het plantje dat verantwoordelijk is voor het ontstaan van hoogveen. Het groeit in stilstaand water en zuigt het water op als een enorme spons. Aan de bovenkant groeit het veenmos door, maar aan de onderkant sterft het af. Zo groeit het veen steeds verder omhoog. Op een gegeven moment komt het veen zelfs hoger te liggen dan het grondwaterpeil. Omdat het veenmos als een soort spons werkt, houdt het regenwater vast. Dit regenwater bevindt zich boven het grondwater. Zodra het veen boven het grondwaterpeil groeit wordt het hoogveen genoemd. Het veenmos maakt het water zuur. Zo zuur dat veel planten er niet kunnen groeien. Alleen heel speciale planten, zoals de vleesetende zonnedauw, kunnen hier leven.

Turf

Rond 1200 ontdekte men turf. Turf is afgestorven veen en werd als brandstof gebruikt in de kachels om de huizen warm te houden. Om aan turf te komen werden grote veengebieden afgegraven. Het water werd weggesluisd waardoor het veen droog kwam te liggen. Turfstekers staken de turf en legden de turfblokken te drogen in de zon. Daarna werd de turf in turfschepen vervoerd naar de grote steden zoals Groningen en Amsterdam.

 

Behoud van hoogveen

Door het vele turfsteken zijn veel hoogveengebieden verloren gegaan. Hierdoor is er in Nederland nog maar weinig natuurlijk hoogveen te vinden. De hoogveenreservaatjes die er nog zijn worden op dit moment goed beschermd.

Verschillende natuurbeheerders proberen weer nieuwe hoogvenen te maken. Dit is heel moeilijk. De omstandigheden moeten namelijk precies goed zijn. Zo moet het grondwater heel hoog staan. Boeren die er vlak bij wonen vinden dat vervelend want dan worden hun akkers vaak ook te nat. Daarom worden er een soort dijkjes gemaakt tussen de veengebieden en de akkers. De veengebieden mogen dan nat worden en de akkers blijven droog.

Het is belangrijk dat het veen blijft, want veel dieren vinden het een fijne plek om te leven. De Heikikker en de Adder bijvoorbeeld. Bij de vennen kom je onder andere ook de Venwitsnuitlibel tegen. Vleesetende planten, zoals de Zonnedauw en Veenbes, zijn ook afhankelijk van het hoogveen.

Meer weten? Kijk ook bij Adder, Heikikker en Vleesetende planten