Deze periode wordt de laatste "kleine" ijstijd genoemd. Er ligt geen ijskap over Drenthe. De zuidelijke begrenzing van het landijs ligt over Denemarken en Noord-Duitsland. In Drenthe heerst een toendraklimaat. Het landschap is een soort poolwoestijn. De Noordzee is grotendeels drooggevallen. Via heftige poolwinden wordt het zand uit het Noordzeebekken soms metersdik op het vaste land afgezet (zgn. dekzand). Tijdens het Weichselien worden door de afvoer van smeltwater vertakte stelsels van waterlopen gevormd. Voorbeeld is het beekdalenstelsel van de Drentsche Aa. De hoofdbeekdalen schuren wel 15 à 20 meter diep uit. In een later stadium worden de beekdalen weer opgevuld met zand en leem. In deze periode ontstaan ook duizenden meertjes, vennetjes en dobben (zgn. pingoruïnes). De oudste bewoningssporen in Drenthe dateren uit deze periode.

Pingo's
In het weichselien ontstonden tijdens het dooiproces en de waterafvoer duizenden ronde dobben en vennen, zgn. pingoruïnes. Pingo is het woord van de eskimo's voor ijsheuvel. Pingo's ontstonden aan de rand van het landijs waar de grond permanent was bevroren (zgn. permafrost). Via zwakke plekken in de permafrost kon warm grondwater aan de oppervlakte komen. Het water bevroor en door de toevoer van onderaf vormden zich in de loop van de tijd metershoge ijsheuvels, die aanvankelijk met een laag aarde bedekt bleven. De pingo's hadden een diameter van enige tientallen tot honderden meters. Terwijl de ijskern groeide, werd de grond omhoog gedrukt en opzijgeschoven.
Aan het eind van het weichselien gleed bij het smelten van het ijs de laag aarde naar de zijkant weg. Uiteindelijk bleef er een diep met water gevuld gat over met een ringwal eromheen. Dit overblijfsel van een pingo wordt pingoruïne genoemd. In Drenthe komen honderden pingoruïnes voor. Op een aantal plekken zijn ze als een "kralensnoer" op de kaart te herkennen, o.a. in de buurt van Donderen, Ees - Exloo (staatsbossen) Elp - Grolloo (staatsbossen) en Hoogersmilde. De grootste pingoruïne in Drenthe is het Esmeer tussen Bovensmilde en Veenhuizen met een doorsnee van ca. 500 meter. Veel pingoruïnes zijn in de loop van de geschiedenis verdwenen: verlanding, ruilverkavelingen, enz. De laatste jaren worden veel nieuwe pingoruïnes ontdekt door nieuwe technieken van luchtfotografie en hoogtemeting. Niet alle dobben in Drenthe zijn pingo's. Verschillende dobben zijn ontstaan door uitstuiving omstreeks 12.000 jaar geleden. De uitgestoven kom vulde zich met regen- en bodemwater. Vanaf ca. 10.000 jaar geleden vormde de afgestorven plantengroei de eerste veenlaagjes.

