De oudste sporen van menselijke aanwezigheid in Drenthe dateren uit ca. 80.000-55.000 v. Chr. Het gaat om werktuigen en afslagen van (vuur)steen van de neanderthalers. Meest tot de verbeelding spreken de vuistbijlen, waarvan fraaie exemplaren zijn te zien in het Drents Museum te Assen.
De vuistbijl wordt gebruikt voor het slachten van prooidieren.
De neanderthalers jaagden in de zomer op o.a. Mammoeten, Wolharige neushoorns, Wisenten, Paarden en Rendieren. De zeldzame vindplaatsen van bewoningssporen van de neanderthaler liggen meestal langs de dalranden van beekdalen. De neanderthalers overwinterden in gematigder gebieden als België, Duitsland en Frankrijk.
Vanaf ca. 11.500 v.Chr. zwerven weer groepen jagers door Noord-Nederland. Het zijn zgn. "moderne" mensen en geen rechtstreekse afstammelingen van de neanderthalers. Zij jagen op de toendra's aan de rand van de ijszones op vooral Rendieren.

Mammoetresten
In de beginperiode is sprake van een open landschap met dwergstruiken en laagblijvende boompjes, met veel natte plekken en plassen. De wind had vrij spel. Een landschap, zoals je die nu nog tegen komt in het noorden van Scandinavië of in Siberië. Het klimaat wordt geleidelijk warmer waardoor de begroeiing zich aanpast en steeds hoger en dichter wordt. De jagers trekken zomer en winter mee met de kuddes Rendieren. De aanwezigheid van de rendierjagers blijkt uit vondsten van vuurstenenwerktuigen (mesjes, pijlpunten, boortjes, schaven en splinters afval) en vuurhaarden. Spaarzaam treft men vindplaatsen aan op dekzandruggen langs beekdalen en in de omgeving van pingo's.

Neanderthalers
