Het klimaat wordt beter, de temperaturen worden hoger en de vochtigheid neemt toe. De toendra-achtige vegetatie en de bossen van berk en den ontwikkelen zich tot gemengde loofbossen met els, Es, eik, Hazelaar, Iep en linde. Rond 5.000 v.Chr. moet Drenthe één groot oerwoud zijn geweest, met name op de hoge en droge gebieden. In de lagere gebieden zijn nog grote open natte plekken met moerassige vegetatie. Het veranderende landschap leidt tot een andere samenstelling van de fauna. De Rendieren verdwijnen. Opvolgers als jachtwild zijn o.a. Edelhert, Eland, Everzwijn, Oeros, Ree en Wisent. De mens past zijn overlevingsmethoden aan. Rondtrekkende kleine groepjes mensen bouwen tijdelijke kampementen op zoek naar wild. Men wordt jager-visser-verzamelaar. In Drenthe zijn honderden vindplaatsen bekend uit de midden steentijd. De vondsten zijn meestal kleine vuurstenen voorwerpen, zgn. microlieten en afslagen, haardkuilen en hutkommen. De vindplaatsen liggen vaak in de beekdalen en bij vennen. De invloed van deze mensen op het landschap is nog zeer beperkt.

Jagerverzamelaars
