In Drenthe was tijdens de vroege middeleeuwen nog veel (oer)bos. De laatste oerbossen bevonden zich in de vochtige beekdalen. Het waren moerasbossen, die voor de mens weinig nut hadden. Toen de behoefte aan hooilanden toenam, ging men ook dergelijke bossen kappen. Bos had in de middeleeuwen een ander karakter dan nu. Er werden varkens en ander vee in los gelaten. Het leidde tot vraat aan de onderbegroeiing. Dit gebruik leidde met name rond de dorpen tot een open meer parkachtig bos. Verder van het dorp af werd de onderbegroeiing van het bos dichter. Omstreeks de 9e eeuw (Karolingische tijd) krijgen de Drentse esdorpen hun definitieve plaats. Door de toenemende bevolkingsdruk en de behoefte aan voedselproductie wordt steeds meer bos gekapt. Een van de resterende oerbossen van Drenthe is het Norgerholt bij Norg. De ouderdom van dit bos bedraagt meer dan 1.000 jaar.
In de late mddeleeuwen beginnen de veenontginningen (o.a. Hunzedal) en ontstaat het esdorpenlandschap met dorp, es(akker) en hooilanden langs de beek. De randgebieden van het 'Drents Plateau' waren tot dan onbewoonbaar door moerasbossen en hoogveen. Het grondgebruik beperkt zich tot de hoge en van nature goed ontwaterde gronden. Overblijfselen uit de middeleeuwen zijn ringwalburchten, kasteelbergjes (zgn. mottes), kastelen, kloosters, dorpen, essen en karrensporen.
Motte
Een motte is een vroeg-middeleeuwse kunstmatige heuvel waarop een donjon (woontoren), burcht of een verdedigingswerk werd aangelegd. De aarde voor de heuvel werd dikwijls verkregen door het uitgraven van een slotgracht rond het bouwwerk. In Drenthe hebben mottes gestaan bij Coevorden, Rheebruggen (Borgbarchien), Gees (Klinkenberg), Wittelte (Wittesheuvel) en Eelde (Waterburcht). Hiervan zijn in het landschap nog restanten te zien). Onduidelijk is of in Drenthe op de mottes permanente bewoning heeft plaatsgevonden, of dat men er zich alleen op terugtrok in tijden van conflicten.

Borgbarchien, landgoed Rheebruggen
Middeleeuwse karrensporen
Een veelal onbekend cultuurhistorisch fenomeen uit de middeleeuwen zijn de oude karrensporen. Vóór 1800 was in Drenthe geen sprake van ontworpen wegtracés. Karrensporen waaierden van dorpen uit over heidevelden om zich weer te concentreren bij het volgende dorp, voorde of dalovergang. Het 'doorgaande' wegennet in Drenthe was vooral gericht op de steden Groningen, Coevorden en Steenwijk. De ouderdom van deze wegsporen kan terug gaan tot in de prehistorie. Archeologisch onderzoek op de Hondsrug heeft aangetoond dat in sommige gevallen sprake is van een bewuste koppeling van de trekroutes en prehistorische grafvelden.
Het beroemdste karrenspoor ligt op het Balloërveld. In het zuidoostelijk gedeelte van dit natuurterrein ligt een honderden meters brede strook langgerekte "ruggen" met bijbehorende "dalen". Beladen wagens reden de heidevegetatie stuk, waardoor het zand verstuift en geulen ontstaan. De bermbegroeiing vangt het stuivende zand op, waardoor duinen of ruggen ontstaan. Werd de weg onbegaanbaar, dan werd die niet hersteld maar ging men naast de oude route rijden, waardoor proces van erosie opnieuw begon. Ook in de Gasterse duinen, Kampsheide en op het Hijkerveld zijn middeleeuwse karrensporen aan te treffen.

Karrensporen Balloërveld, foto Paul Paris
Spieker te Lhee
In 1954 werd door medewerkers van het Biologisch Archeologisch Instituut uit Groningen een keienfundering van 8,5 bij 6,5 meter blootgelegd en onderzocht. De keienmuurtjes waren bij toeval ontdekt bij een zandafgraving door de gemeente. De vele potscherven die aangetroffen werden konden voor het overgrote deel gedateerd worden in de dertiende en veertiende eeuw. Ook werd er materiaal uit de tiende en elfde eeuw aangetroffen. Paalgaten wezen uit dat het gebouwtje onderdeel was van een groter bouwwerk. Het werd gedateerd omstreeks 1200 waarmee het gelijk valt met de eerste schriftelijke vermelding van het dorpje Lhee uit 1181. Aangenomen wordt dat het bouwwerkje bestaat uit de fundering en de kelder van een opslagplaats voor de oogst. Het wordt dan ook aangeduid met de term spieker, afgeleid van het Latijnse woord 'spica' dat aar betekent. In 1960 verwierf de provincie deze eerste bewoningsporen van het dorpje Lhee met een omliggend stuk grond van 42 are. Het beheer is sinds 2001 in handen van Het Drentse Landschap.
