Het Drentse Landschap
Middeleeuwen 450 - 1.500 na Chr.

In Drenthe was tijdens de vroege middeleeuwen nog veel (oer)bos. De laatste oerbossen bevonden zich in de vochtige beekdalen. Het waren moerasbossen, die voor de mens weinig nut hadden. Toen de behoefte aan hooilanden toenam, ging men ook dergelijke bossen kappen. Bos had in de middeleeuwen een ander karakter dan nu. Er werden varkens en ander vee in los gelaten. Het leidde tot vraat aan de onderbegroeiing. Dit gebruik leidde met name rond de dorpen tot een open meer parkachtig bos. Verder van het dorp af werd de onderbegroeiing van het bos dichter. Omstreeks de 9e eeuw (Karolingische tijd) krijgen de Drentse esdorpen hun definitieve plaats. Door de toenemende bevolkingsdruk en de behoefte aan voedselproductie wordt steeds meer bos gekapt. Een van de resterende oerbossen van Drenthe is het Norgerholt bij Norg. De ouderdom van dit bos bedraagt meer dan 1.000 jaar.
In de late mddeleeuwen beginnen de veenontginningen (o.a. Hunzedal) en ontstaat het esdorpenlandschap met dorp, es(akker) en hooilanden langs de beek. De randgebieden van het 'Drents Plateau' waren tot dan onbewoonbaar door moerasbossen en hoogveen. Het grondgebruik beperkt zich tot de hoge en van nature goed ontwaterde gronden. Overblijfselen uit de middeleeuwen zijn ringwalburchten, kasteelbergjes (zgn. mottes), kastelen, kloosters, dorpen, essen en karrensporen.

Motte

Een motte is een vroeg-middeleeuwse kunstmatige heuvel waarop een donjon (woontoren), burcht of een verdedigingswerk werd aangelegd. De aarde voor de heuvel werd dikwijls verkregen door het uitgraven van een slotgracht rond het bouwwerk. In Drenthe hebben mottes gestaan bij Coevorden, Rheebruggen (Borgbarchien), Gees (Klinkenberg), Wittelte (Wittesheuvel) en Eelde (Waterburcht). Hiervan zijn in het landschap nog restanten te zien). Onduidelijk is of in Drenthe op de mottes permanente bewoning heeft plaatsgevonden, of dat men er zich alleen op terugtrok in tijden van conflicten.



Borgbarchien, landgoed Rheebruggen